Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Inleiding
De jaarrekening is opgesteld met inachtneming van de voorschriften zoals opgenomen in de Gemeentewet, het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet, waarin door de gemeenteraad op 13 februari 2020 de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie zijn vastgesteld.

Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. De activa en passiva worden opgenomen tegen nominale waarden, tenzij anders is vermeld.

VASTE ACTIVA

Immateriële vaste activa
De immateriële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingskosten waarbij tevens duurzame waardeverminderingen onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking worden genomen.

Eventuele van derden verkregen specifieke investeringsbijdragen worden in mindering gebracht op het geactiveerde bedrag (artikel 62 lid 2 BBV). Hierbij wordt de verkregen bijdrage als bate verantwoord.

De afschrijving van de geactiveerde kosten van onderzoek en ontwikkeling vangt aan bij ingebruikneming van het gerelateerde materiële vaste activa.

Immateriële activa zijn te onderscheiden in:

  • kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen;
  • kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief;
  • bijdragen aan activa in eigendom van derden.

Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • er is sprake van een investering door een derde;
  • de investering draagt bij aan de publieke taak;
  • de derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen;
  • de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft.

Materiële vaste activa

Algemeen
De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met afschrijvingskosten en specifiek van derden ontvangen investeringsbijdragen en subsidies.
Bij de waardering van vaste activa met een economisch nut wordt rekening gehouden met waardevermindering indien deze vermindering naar verwachting duurzaam is.
Duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen.

Bij het bepalen of er sprake is van een duurzame waardevermindering is het soort vastgoed binnen de vaste activa met een economisch nut relevant. Immers, indien de bestuurlijke intentie bestaat om vastgoed met een maatschappelijke functie – bijvoorbeeld een gemeentehuis of gebouwen en terreinen met een functie op het gebied van onderwijs, sport, welzijn of maatschappelijke opvang en/of zorg – duurzaam te exploiteren, speelt duurzame waardevermindering geen rol. Echter, indien de bestuurlijke intentie bestaat om het vastgoed met een maatschappelijke functie te verkopen of de bestemming te wijzigen naar vastgoed met een bedrijfseconomische functie moet worden bepaald of er sprake is van een naar verwachting duurzame waardevermindering.

Materiële vaste activa kunnen worden onderscheiden in:

  • Materiële vaste activa met een economisch nut;
  • Materiële vaste activa met een economisch nut waarvoor een heffing kan worden geheven;
  • Materiële vaste activa met een maatschappelijk nut.

Materiële vaste activa met economisch nut
Materiële vaste activa met een economisch nut zijn gevormd uit alle investeringen die bijdragen aan de mogelijkheid middelen te verwerven en/of die verhandelbaar zijn en deze moeten worden geactiveerd.

In erfpacht uitgegeven gronden
In erfpacht uitgegeven gronden worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs, waarbij de uitgifteprijs van eerste uitgifte geldt als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde.

Warme gronden
Gronden welke verworven worden met het oog op gebiedsontwikkelingen die op langere termijn gaan spelen en waarvan op voorhand vaststaat dat deze als bouwgrond zullen gaan fungeren, maar waarvoor nog geen operationele grondexploitatie is vastgesteld, worden in de regel als ‘warme grond’ geduid. Deze gronden worden op de balans opgenomen onder de materiële vaste activa tegen verwervingskosten. Ingeval de gronden nog geen bestemming hebben gekregen als bouwgrond, bestaat de kans dat (tijdelijk) afwaardering moet plaatsvinden naar de waarde volgens de geldende bestemming. Aangezien het hierbij gaat om een naar verwachting tijdelijke en niet duurzame waardevermindering, mag - onder voorwaarden - bij de waardering worden uitgegaan van de grond tegen toekomstige bestemming in plaats van de huidige bestemming. Opgemerkt zij nog dat fiscaal gezien de ‘warme’ gronden in beginsel vanaf het moment van verwerven voor de VPB vallen binnen de onderneming ter zake van de gemeentelijke grondexploitaties.

Materiële vaste activa met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven
Wanneer investeringen grotendeels of meer worden gedaan voor riolering, het inzamelen van huishoudelijk afval of andere alsook voor rechten die op grond van artikel 229 lid 1 a en b Gemeentewet worden geheven, dan worden deze investeringen op de balans opgenomen in een aparte categorie: de investeringen met economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven.

Materiële vaste activa met uitsluitend maatschappelijk nut
Met de BBV-wijziging van 5 maart 2016 zijn de verslaggevingsvoorschriften voor investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut gewijzigd. Met ingang van het boekjaar 2017 moeten deze investeringen op dezelfde wijze worden behandeld en verantwoord als investeringen met economisch nut. Dit betekent dat alle investeringen die zijn c.q. worden gedaan vanaf 1 januari 2017 op dezelfde wijze worden verantwoord en aan dezelfde eisen dienen te voldoen wat betreft waardering, activering en afschrijving. De verplichting om alle investeringen te activeren volgens de nieuwe methode geldt nadrukkelijk alleen voor investeringen die vanaf het begrotingsjaar 2017 worden gedaan. Voor investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die zijn gedaan tot en met 2016 gelden de ‘oude’ regels, zodat gemeenten hierop bijvoorbeeld desgewenst en voor zover passend binnen het BBV versneld kunnen afschrijven. Materiële vaste activa met uitsluitend maatschappelijk nut zijn gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Specifieke investeringsbijdragen van derden worden op de desbetreffende investering in mindering gebracht.

Financiële vaste activa
De onder de financiële vaste activa afzonderlijk opgenomen a) kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen, gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen, b) (overige) leningen u/g en c) (overige) uitzettingen zijn – tenzij hierna anders is vermeld – opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht.

Participaties in het aandelenkapitaal van een NV of BV (deelneming conform artikel 1 lid e) zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs van de aandelen waarbij afwaardering zal plaatsvinden indien de waarde van de aandelen structureel daalt tot onder de verkrijgingsprijs (lagere marktwaarde). Tot dusver is een dergelijke afwaardering niet noodzakelijk gebleken. De actuele waarde ligt ruim boven de verkrijgingsprijs.

De onder financiële vaste activa opgenomen leningen verstrekt aan derden zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde.

Afschrijvingen en activeringsgrens
De afschrijvingstermijnen en de wijze van afschrijving van investeringen zijn vastgelegd in de nota Financiële Sturing 2020 (20R.00016) waarbij de activeringsgrens voor investeringen is vastgesteld op € 20.000.

Activa met een investeringsbedrag kleiner of gelijk aan € 20.000 en/of gebruiksduur korter dan 3 jaar worden niet geactiveerd maar in één keer ten laste van de exploitatie gebracht. Uitzondering hierop zijn gronden en terreinen, die altijd worden geactiveerd maar waarop niet wordt afgeschreven.

De afschrijvingstermijnen van activa die zijn vervaardigd of verkregen voor 1 januari 2013 kunnen afwijken van de termijnen die conform de nota Financiële Sturing worden gehanteerd. Deze objecten worden niet met terugwerkende kracht aangepast, maar zullen aflopen volgens de oude termijn.

Op de vaste activa wordt volgens de lineaire methode afgeschreven. Uitzonderingen hierop (kunnen) zijn:

  • gebouwen;
  • vaste activa die bijdragen aan het genereren van middelen/tariefstellingen, zoals bijvoorbeeld parkeergarage en afvalstoffenheffing. Hierop wordt volgens de annuïtaire methode afgeschreven.

Het college kan, indien er een gegronde reden voor is, in individuele gevallen afwijken van de afschrijvingstabel en legt hierover achteraf verantwoording af aan de raad (hardheidsclausule). Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de mogelijkheden die het BBV en overige relevante wetgeving bieden.

Investeringen (met uitzondering van gronden) worden afgeschreven op basis van de verwachte gebruiksduur, waarbij geen rekening wordt gehouden met een eventuele restwaarde. De afschrijving vangt aan in het jaar volgend op het jaar waarin de investering gereed is gekomen of het actief is aangeschaft.

VLOTTENDE ACTIVA

Voorraden onderhanden werk (bouwgronden in exploitatie)
Het startpunt van een grondexploitatie is het raadsbesluit met de vaststelling van het complex, inclusief grondexploitatiebegroting. Vanaf dat moment wordt de grondexploitatie geopend en kunnen vervaardigingskosten worden geactiveerd.

De bouwgronden in exploitatie zijn opgenomen tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, verminderd met de opbrengst wegens verkopen. Indien de boekwaarde de marktwaarde van de grond op balansdatum overschrijdt, wordt een afwaardering naar de lagere marktwaarde verantwoord waarbij een voorziening wordt getroffen voor het verwachte negatieve resultaat.

De disconteringsvoet die is gehanteerd in de berekening van de contante waarde ten behoeve van het treffen van een verliesvoorziening voor negatieve grondexploitaties is voor alle gemeenten gelijk gesteld aan het maximale meerjarig streefpercentage van de Europese Centrale Bank voor de inflatie binnen de Eurozone. In 2021 betreft dit 2% (2017 t/m 2020: 2%).

De vervaardigingsprijs bestaat uit de kosten van aanschaf van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten (limitatief opgesomd in de kostensoortenlijst zoals opgenomen artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening) die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs wordt daarnaast een redelijk deel van de indirecte kosten opgenomen en is de werkelijk over vreemd vermogen betaalde rente over het boekjaar toegerekend. De rente is toegerekend over de boekwaarde van de grondexploitatie per 1 januari van het betreffende boekjaar.

De notitie Grondbeleid in begroting en jaarstukken (cie. BBV 2019) geeft aan dat bij tussentijdse winstneming de percentage of completion methode dient te worden gevolgd. Hierbij geldt dat voor zover gronden zijn verkocht en opbrengsten zijn gerealiseerd. tussentijds naar rato van de voortgang van de kosten en de opbrengsten winst moet worden genomen.
Indien aan de volgende voorwaarden is voldaan, bestaat er voldoende zekerheid om winst te kunnen nemen:

  • Het resultaat op de grondexploitatie kan betrouwbaar worden ingeschat;
  • De grond (of het deelperceel) moet zijn verkocht;
  • De kosten zijn gerealiseerd.

Het realisatiebeginsel bepaalt dat als aan die voorwaarden wordt voldaan de winst dient te worden genomen.

Toekomstige bouwgrond (voorheen ‘Niet in exploitatie genomen gronden')
Grond die een vaste bestemming heeft en niet in een transformatieproces zit, wordt opgenomen onder de materiële vaste activa. Dit geldt ook voor gronden die anticiperend en strategisch zijn aangekocht, maar waarbij (nog) geen sprake is van een raadsbesluit met de vaststelling van het grondexploitatiecomplex, inclusief grondexploitatiebegroting. De voorraadcategorie ‘Niet in exploitatie genomen gronden’ bestaat niet meer met ingang van 1 januari 2016. Toekomstige bouwgronden zijn gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs dan wel lagere marktwaarde en overeenkomstig de gestelde eisen zoals genoemd in de notitie Grondbeleid in begroting en jaarstukken (cie. BBV 2019). Er wordt geen rente bijgeschreven op de boekwaarde van deze voorraden.

Voorraden grond- en hulpstoffen
Grond- en hulpstoffen en gereed product en handelsgoederen worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs worden de grond- en hulpstoffen tegen deze lagere marktwaarde gewaardeerd.

Vorderingen
Vorderingen zijn - onder aftrek van eventuele voorzieningen voor oninbaarheid - gewaardeerd tegen de nominale waarde. Onderscheid wordt gemaakt tussen vorderingen op overheidslichamen en overige vorderingen.

Voorzieningen voor oninbaarheid
In artikel 10 van de Financiële verordening ex art 212 Gemeentewet is opgenomen dat een voorziening voor oninbaarheid voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt gevormd op basis van een individuele beoordeling op oninbaarheid van de openstaande vorderingen.
Bij openstaande vorderingen betreffende OZB, precariobelasting, hondenbelasting, parkeerbelasting, rioolheffing, afvalstoffenheffing en bijstandsverstrekking wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historisch percentage van oninbaarheid.

Liquide middelen
De liquide middelen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde en bestaan uit kas- en banksaldi.

Overlopende activa
In de balans worden onder de overlopende activa afzonderlijk opgenomen:

  • de van Europese en Nederlandse overheidslichamen nog te ontvangen voorschotbedragen die ontstaan door voorfinanciering op uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel;
  • overige nog te ontvangen bedragen en vooruitbetaalde bedragen die ten laste van volgende begrotingsjaren komen.

De overlopende activa worden tegen nominale waarde opgenomen.

VASTE PASSIVA

Eigen vermogen
In de balans worden het eigen vermogen onderscheiden naar:

  • de algemene reserve;
  • de bestemmingsreserves;
  • het gerealiseerde resultaat volgend uit het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening.

Bestemmingsreserves worden gevormd conform de door de raad genomen besluiten. Dit geldt eveneens voor de toevoegingen en onttrekkingen m.b.t. reserves. Belangrijke afwijkingen zijn vermeld in de toelichting op de balans. Bestemmingsreserves zijn de voor een specifiek doel afgezonderde bestanddelen van het eigen vermogen.

Bestemmingsreserve afschrijvingslasten
Een bestemmingsreserve afschrijvingslasten moet van voldoende omvang zijn om de afschrijvingslasten gedurende de gehele vastgestelde afschrijvingsperiode aan de reserve te kunnen onttrekken. Deze voorwaarde betekent dat het saldo van de reserve gelijk moet zijn aan de boekwaarde van de desbetreffende activa. Indien het saldo van de reserve lager is dan de boekwaarde van de desbetreffende activa dan kunnen slechts de afschrijvingslasten naar rato aan de reserve worden onttrokken. De reserve is immers gekoppeld aan de reserve.

Onttrekking van rente uit de reserve kapitaallasten is slechts mogelijk indien bespaarde rente over het saldo van deze reserve wordt toegevoegd. Binnen de gemeente Woerden wordt aan de reserves kapitaallasten economisch nut en maatschappelijk nut rente onttrokken.

In de nota Financiële sturing 2020 is opgenomen dat reserves ‘Dekking kapitaallasten maatschappelijk nut’ en ‘Dekking kapitaallasten economisch nut’ voldoende van omvang moeten zijn om de kapitaallasten gedurende de gehele vastgestelde afschrijvingsperiode aan de reserve te kunnen onttrekken. Hiervoor moet het saldo van de reserve gelijk zijn aan de boekwaarde van de desbetreffende activa. De beoordeling vindt eenmaal per vijf jaar plaats - voor het eerst in 2025. Op het moment dat er indicaties zijn dat er sprake is van forse afwijkingen, vindt deze beoordeling in de eerstvolgende jaarrekening plaats.

Voorzieningen
Voorzieningen worden gevormd indien er sprake is van:

  • Verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;
  • Op de balansdatum bestaande risico’s m.b.t. bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;
  • Kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;
  • Bijdragen (spaarcomponent) aan toekomstige vervangingsinvesteringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing wordt geheven;
  • Middelen verkregen van derden, die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen verkregen van Europese en Nederlandse overheidslichamen met een specifiek bestedingsdoel, die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren.

Voorzieningen worden gevormd tegen nominale of contante waarde van het bedrag van de betrokken verplichting c.q. het voorzienbare verlies.
Het is niet toegestaan rente aan voorzieningen toe te voegen.

Voorzieningen mogen ook tegen contante waarde worden gewaardeerd. Met uitzondering van de disconteringsvoet voor grondexploitaties, kent het BBV geen voorschriften voor de bepaling van de disconteringsvoet voor voorzieningen die tegen contante waarde worden gewaardeerd. Wel wordt er voor bijvoorbeeld de pensioenvoorzieningen landelijk gebruik gemaakt van de door de DNB vastgestelde rentetermijnstructuur pensioenfondsen.

Voor arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van een jaarlijks vergelijkbaar volume is geen voorziening getroffen of op andere wijze een verplichting opgenomen. De referentieperiode is gelijk aan die van de meerjarenraming en bedraagt vier jaar. Bij (éénmalige) schokeffecten, bijvoorbeeld als gevolg van een reorganisatie wordt een voorziening voor hieruit voortvloeiende verplichtingen opgenomen.

Vaste schulden
Onder de vaste schulden zijn begrepen de schulden met een oorspronkelijke looptijd van een jaar of langer. Schulden met een looptijd van korter dan een jaar maken deel uit van de kortlopende schulden.
Vaste schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde (hoofdsom) verminderd met verrichte aflossingen.

VLOTTENDE PASSIVA
De waardering van de vlottende passiva geschiedt op nominale op nominale waarde. Wanneer hiervan wordt afgeweken is dit in de toelichting bij de desbetreffende post vermeld.
Onder de vlottende passiva worden afzonderlijk opgenomen de netto-vlottende schulden met een rentetypische looptijd korter dan een jaar en de overlopende passiva.

Netto-vlottende schulden met een rentetypische looptijd korter dan één jaar
De netto-vlottende schulden met een rentetypische looptijd korter dan één jaar zijn gewaardeerd tegen nominale waarde. Het betreft:

  • Kasgeldleningen aangegaan bij openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de wet Financiering decentrale overheden;
  • Overige kasgeldleningen;
  • Banksaldi;
  • Overige schulden.

Overlopende passiva
In de balans worden onder de overlopende passiva afzonderlijk opgenomen (artikel 49 BBV):

a) verplichtingen die in het begrotingsjaar zijn opgebouwd en die in een volgend begrotingsjaar tot betaling komen, met uitzondering van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume;
b) de van de Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren;
c) overige vooruit ontvangen bedragen die ten bate van volgende begrotingsjaren komen.

Borg- en garantstellingen
Voor zover leningen door de gemeente gewaarborgd zijn, is buiten telling het totaalbedrag van de geborgde schuldrestanten per einde boekjaar opgenomen. Overigens is in de toelichting op de balans nadere informatie opgenomen.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen
Alle niet uit de balans blijkende verplichtingen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde.

GRONDSLAGEN VOOR DE RESULTAATBEPALING

Algemeen
De bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van de historische kosten. De jaarrekening wordt opgesteld op basis van het stelsel van baten en lasten. Dit betekent dat lasten en baten zijn toegerekend aan het jaar waarop ze betrekking hebben. Het moment van betaling of ontvangst van het geld is daarbij niet van belang. Alle lasten en baten die betrekking hebben op het boekjaar en ten tijde van het opstellen van de jaarrekening bekend zijn, zijn in het boekjaar verwerkt.

Lasten en verliezen
Verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden voor het einde van het boekjaar zijn in acht genomen, indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Personeelslasten zijn in beginsel toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Uitzondering hierop vormen de lasten m.b.t. jaarlijks terugkerende arbeidskosten-gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume. Doordat hiervoor geen voorzieningen of schulden mogen worden getroffen, zijn deze personeelslasten toegerekend aan het boekjaar waarin de uitbetaling plaatsvindt.

Personeelslasten
Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden m.b.t. jaarlijks terugkerende arbeidskosten-gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume, worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan ziektekostenpremies.

Baten en winsten
Baten en winsten zijn slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd.

Dividendopbrengsten van deelnemingen zijn als baten genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar is gesteld. De betaalbaarstelling heeft gewoonlijk betrekking op het dividend over het voorgaande jaar.

Resultaatbestemming
Conform het BBV worden de mutaties in de reserves, zowel bij de begroting als de rekening, separaat verantwoord. Het jaarrekeningresultaat is hierdoor zowel vóór als na bestemming inzichtelijk.

Bespaarde rente en rente boekwaarde investeringen
Binnen de gemeente Woerden wordt de methode van bespaarde rente - het toerekenen van rente over de reserves en voorzieningen bij de bepaling van de omslagrente - toegepast. Dit betekent dat rente uit bestemmingsreserves kan worden onttrokken.

Over de boekwaarde per 1 januari van een actief wordt – onverschillig of dat voltooid is of niet – omslagrente berekend. Indien projectfinanciering is toegepast, wordt het rentepercentage van de projectfinanciering toegepast.

Algemene uitkering
De commissie BBV heeft de stellige uitspraak gedaan dat de algemene uitkering in de jaarrekening wordt opgenomen conform de in het jaar laatst gepubliceerde acresmededeling, die doorgaans is opgenomen in de septembercirculaire van dat boekjaar.

Subsidies
Met ingang van 2019 dient de in het kader van de uitvoering van het BBV verschenen Handreiking Verantwoording van subsidies te worden gehanteerd. De kernvraag welke in deze notitie wordt beantwoord is: wanneer wordt de subsidie als last bij de subsidiegever en als bate bij de subsidieontvanger verantwoord als het gaat om subsidies (bijdragen tussen decentrale overheden)?

Het moment van het nemen als last van een subsidie hangt af van het type subsidie en de gestelde voorwaarden.

a) exploitatiesubsidie – geen voorwaarden:
Als het gaat om een bijdrage in de exploitatie zonder expliciete voorwaarden (ofwel lump-sum) dan wordt de last genomen in het jaar waarvoor de bijdrage bedoeld is volgens de beschikking. Wanneer de subsidie eerder wordt uitbetaald dan wordt deze als een vooruitbetaalde post op de balans opgenomen.

b) exploitatiesubsidie – wel voorwaarden
Als aan de exploitatiesubsidie voorwaarden zijn verbonden - zoals het eerst moeten aantonen van de prestatie gemaakte kosten - dan wordt de te verstrekken subsidie als last verantwoord zodra door de subsidieontvanger aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
Een uitgekeerd voorschot wordt door de subsidiegever Vooruitbetaald op de balans opgenomen en nadat de subsidieontvanger – met tussentijdse rapportages - heeft aangetoond dat (gedeeltelijk) voldaan is aan de voorwaarden, vindt afwikkeling van de balanspost Vooruitbetaald plaats. De subsidie wordt (gedeeltelijk) als last verantwoord en verrekend met de bevoorschotting. Een resterend voorschotbedrag wordt nabetaald en een teveel uitbetaald voorschot bedrag wordt terug gevorderd. De subsidielast wordt daarmee dus feitelijk verantwoord in het jaar waarin de subsidieontvanger de prestatie - waar de subsidie voor is verstrekt - levert en aan de voorwaarden invulling geeft.

c) investeringssubsidies - geen voorwaarden
De subsidie is in dit geval een bijdrage aan het eigendom van een derde (de subsidieontvanger). De subsidieontvanger (ingeval deze onder het BBV-regime valt) zal de bijdrage in mindering moeten brengen op de investering in het betreffende actief:
De subsidiegever heeft de keuze ingevolge artikel 61 BBV:

  • De subsidie ten laste van de exploitatie te brengen: dat geschiedt in het jaar (jaren) waarvoor de subsidiegever volgens de subsidiebeschikking heeft besloten de bijdrage te verstrekken;
  • de subsidie te activeren en af te schrijven - in principe voor maximaal dezelfde termijn als de ontvanger voor afschrijven hanteert (dus niet langer) - en moet voldaan zijn aan de voorwaarden in artikel 61 a tot en met d van het BBV.

De subsidie zal als Nog te betalen op de balans verwerkt worden indien:

  • deze nog niet is uitgekeerd aan het einde van het boekjaar terwijl de investering al wel (gedeeltelijk) gerealiseerd is;
  • deze nog niet is uitgekeerd en inmiddels een of meerdere jaren is dan wel zijn verstreken waarvoor de subsidiegever heeft besloten de bijdrage te verstrekken.

d) Voor investeringssubsidies - wel voorwaarden
De subsidie is in dit geval een bijdrage aan het eigendom van een derde - de subsidieontvanger - waaraan expliciete voorwaarden zijn verbonden. De subsidieontvanger zal - ingeval deze onder het BBV-regime valt - de verkregen subsidie in mindering brengen op de investering.

De subsidiegever heeft dan de keuze ingevolge artikel 61 BBV:

  • de subsidie ten laste van de exploitatie te brengen: dat geschiedt in het jaar (jaren) waarin door de subsidieontvanger de prestatie is geleverd en aan de gestelde voorwaarden is voldaan;
  • de subsidie te activeren en af te schrijven - in principe voor maximaal dezelfde termijn als de ontvanger voor afschrijven hanteert (dus niet langer) - en moet voldaan zijn aan de voorwaarden in artikel 61 a tot en met d van het BBV. Dit activeren gebeurt in het jaar (jaren) waarin door de subsidieontvanger de prestatie is geleverd en aan de gestelde voorwaarden is voldaan.

Vennootschapsbelasting
Vanaf 2016 moeten gemeenten en andere publiekrechtelijke rechtspersonen vennootschapsbelasting (VBP) betalen over de winst die ze met hun ondernemingsactiviteiten maken. De VPB moet jaarlijks worden bepaald op basis van de fiscale grondslag. Hierin zijn de standpunten van de Belastingdienst betreffende het wel of niet in aanmerking mogen nemen van baten en lasten voor de fiscale winstbepaling van groot belang. Op grond van deze standpunten dient allereerst bepaald te worden of de gemeente met haar activiteiten door de ‘ondernemerspoort’ gaat.

Met de kennis bij het opstellen van deze jaarrekening is de gemeente van mening niet door de ‘ondernemerspoort’ te gaan met haar activiteiten, met uitzondering van rendement verkoop van reststoffen, afkomstig uit huishoudelijk afval. De belastingdienst heeft over het tijdvak 2020 een definitieve aanslag opgelegd, naar aanleiding van de aangifte van de Gemeente.

In 2020 is duidelijk geworden dat de Belastingdienst het standpunt heeft ingenomen dat opbrengsten van reclameconcessies belast zijn met vennootschapsbelasting. De belastingdienst vindt dat sprake is van een onderneming terwijl gemeenten daarentegen vinden dat sprake is van normaal vermogensbeheer. Dat laatste blijft buiten de vennootschapsbelasting. De Belastingdienst heeft voor 2016 reeds een aanslag opgelegd waarin vennootschapsbelasting m.b.t. de reclameconcessies is opgelegd. Hiertegen is bezwaar gemaakt. De VNG zet in op een gezamenlijke procedure van een aantal gemeenten die worden bijgestaan door de kerngroep VBP. Dit omdat het niet gewenst is dat veel gemeenten m.b.t. hetzelfde onderwerp moeten procederen met de Belastingdienst. Gemeenten kunnen zich dan ook aansluiten bij de procedures door aan de Belastingdienst te vragen hun bezwaarschriften aan te houden. Het idee is dat de rechtspraak te zijner tijd voldoende duidelijkheid geeft, waarna de aangehouden bezwaarschriften zonder veel werk kunnen worden afgedaan, hopelijk in gunstige zin. Het zal naar verwachting nog jaren duren eer de Hoge Raad hier uiteindelijk arrest over zal wijzen.